"Catootjes konijntjes"

 

           

 

16

Bron:Uit het boek "Konijnen"van R.Stenhuis en M.A.Verhelst / isbn 90215 05134

Praktisch konijnen fokken

Fokleeftijd, Foktijden, De fokram en fokvoedster, De paring ,De voedster gedurende de dracht,Werpen, De zogende voedster en haar jongen, Wegnemen van de jongen en Opfokken van jonge dieren.

Fokleeftijd

De leeftijd waarop het konijn voor de fok geschikt wordt geacht, wordt in het algemeen op acht maanden gesteld. Kleinere rassen kunnen al op een leeftijd van zes maanden voor de fok worden gebruikt, terwijl men voor de grote rassen beter tot negen maanden kan wachten. In het algemeen is de ram eerder geslachtsrijp dan de voedster, maar ook deze moet men niet voor de achtste, nog beter de negende maand in het fokbedrijf brengen.

Ondanks deze algemene mening,die berust op de gedachte dat zolang het dier niet volwassen is, het ook niet voor de fok moet worden gebruikt, omdat het zijn ontwikkeling remt of misschien wel voor goed tot stil­stand brengt, is met de praktijk niet helemaal in overeenstemming. Proef­ondervindelijk hebben wij de ervaring opgedaan dat, wanneer een voed­ster met zes a zeven maanden voor de fok wordt gebruikt en haar bij eventueel werpen niet meer dan zes jongen worden gelaten, dit haar ontwikkeling eerder ten goede komt, terwijl ook de jongen voortreffe­lijke dieren kunnen worden. Laat men echter een grotere toom jongen bij de jonge moeder dan is het ongetwijfeld nadelig. Reeds een tijd voor­dat het konijn volgroeid is, kan men waarnemen dat het geslachtsrijp begint te worden. Het zijn de zogenaamde secundaire geslachtskenmer­ken die dan optreden, zoals vorm: de voedsters zijn altijd iets langer dan de rammen. Rammen krijgen een krachtige kop, terwijl de voedsters iets langer van kop zijn en een breed bekken krijgen. Wel moet hierbij worden opgemerkt, dat deze verschijnselen niet bij alle dieren sterk naar voren komen.

Foktijden

De voortplanting van het konijn is niet aan een bepaalde tijd gebonden. Men kan zowel in de winter als in het voorjaar en in de zomer konijnen fokken.

De bronstcyclus treedt om de 28 dagen op. We kunnen deze bronsttijd in 4 stadia onderscheiden en wel 1) voorbereidingstijd, 2) eigenlijk* bronsttijd, 3) afnemen der bronsttijd en 4) pauze tussen de bronsttijden

De beste tijd is echter het voorjaar. Het ontwaken van de natuur doei zich uiteraard ook bij onze konijnen gevoelen. De voortplantingsdrift is dan het grootst, zodat het voorjaar wel het meest geschikte ogenblik is om de paring te doen plaats vinden. Bovendien gaan we dan een tijd van zachter weer tegemoet en komt het eerste jonge groen voor de konijnen beschikbaar. Beide komen de groei van de jonge dieren ten goede. Het jonge groen, wat de voedster wordt gegeven, heeft allereerst een gunstige werking op haar melkgift; deze rijkelijke moedermelk be­vordert eveneens de groei van de jongen. Van grote invloed op de groei en de ontwikkeling van de jonge generatie is ook dat hen, zodra ze van de moeder worden genomen, rijkelijk en goed groenvoer ter beschikking staat.

Om al deze redenen is de voorjaarsworp als regel de beste en is het ook aan te raden daaruit de dieren te zoeken die voor de verdere fok nodig zijn. Zij zijn tegen de winter uitgegroeid; mocht dat gewenst zijn, dan kunnen ze al aan het eind van het jaar jongen geven. Ook de zomernesten kunnen goede jongen geven; het weer en liet beschikbare groen­voer maken dat ook deze jongen onder gunstige omstandigheden op­groeien.

Winterfok

Heel anders staat het met de winterfok. Deze vereist extra zorg. Wie niet de beschikking heeft over een behoorlijke hoeveelheid hooi en groenvoer, zoals boerenkool of mergkool, ontraden we beslist in de win­ter te fokken. Met de tegenwoordige kunstkorrel is groenvoer niet meer zo'n nijpend gebrek, daar dit laatste het groenvoer zeer goed vervangt. Het opfokken met aardappelschillen, knollen en wat peen is bijna steeds tot mislukken gedoemd. In het beste geval krijgt men dan slecht uitge­groeide jongen. Het toepassen van een nestkastje is zeer zeker gewenst, deze nestkastjes mag men niet te groot maken daar de dieren er dan te lang in vertoeven.

Naast goed korrelvoer moet men de beschikking hebben over tijd om de nesten jongen steeds in het oog te houden en te kunnen ingrijpen.

Het wil bv. wel eens gebeuren dat, als de moeder de jongen heeft ge­zoogd er nog een paar aan de tepels hangen als zij van het nest springt. Deze komen dan buiten het nestkastje te liggen. Gebeurt dit voor dat de jongen 12 a 14 dagen oud zijn dan betekent dat 's winters hun dood, tenzij de fokker spoedig ter plaatse is. Geen dag mag in de winter voorbij gaan zonder dat de fokker één keer de nesten controleert. Wie daarvoor niet de tijd heeft, ontraden we eveneens de winterfok, ook al beschikt men over groenvoer, daar ook dan de winterfok meestal tot niets dan teleurstelling leidt.

Van het fokken uit te sluiten dieren

Een dier dat niet volkomen gezond is moet niet voor de fok worden gebruikt. Zichtbare ziekten die een dier voor de fok uitsluiten zijn: tranende ogen, snot, huidziekten, oorschurft, ontsteking van de ge­slachtsdelen of de tepels. Wie uit een groot aantal door hem gehouden konijnen de fokdieren zoekt, moet erop letten dat hij geen voedsters voor de fok gebruikt die gemakkelijk diarree krijgen of een slijmerige keutel hebben: het wijst op niet al te sterke verteringsorganen. Ook dieren met ernstige bouwfouten, zoals o-, x- of doorgezakte voorbenen, karperrug, foutief gedragen oren, slecht door de verharing komen, moet men voor de fok uitsluiten.

De fokram

De ram onderscheidt zich van de voedster door zijn kortere bouw (meer geblokt), zwaarder beendergestel en dikkere kop die korter tegen de romp geplaatst is dan bij de voedster. Ook het gedrag van beide ge­slachten is niet gelijk. De ram is als regel monterder, moediger en brutaler dan de voedster.

De rijpheid van de ram treedt als regel in de zesde maand op, soms nog vroeger, vaak ook later. In de tijd van het rijp worden is het dier bijzonder levendig, het springt in de stal rond, strijkt met zijn kin on­rustig over het voer en het strooisel, nap en ruif, het strijkt langs de wanden van het hok en manifesteert zo uiterlijk, dat een innerlijke periode is afgesloten. De ram kan dan direct voor de fok worden gebruikt.

maar het is beter hem nog een paar maanden te laten uitgroeien alvorens hem zijn taak te laten verrichten.

De geslachtsrijpe ram klopt soms luid met zijn achterpoten; dit klop­pen is de voor de voedster bestemde lokroep. Het kan ook beschouwd worden als een waarschuwingssignaal voor naderend gevaar, daarom hoort men het ook als de ram in een nieuw hok wordt geplaatst of wanneer honden in de buurt komen.

Voor de konijnenfokkerij is de ram van buitengewoon belang. De voedster vererft haar eigenschappen alleen op de door haar zelf gewor­pen jongen, de ram echter op de jongen van alle voedsters waarmee hij wordt gepaard. Daarom moet de fokram met bijzondere zorg worden gekozen. Moet men een exemplaar kopen dan is het, zeker wanneer men een aantal voedsters heeft, van ondergeschikt belang of hij een paar gulden duurder of goedkoper is. We willen dat met een praktisch voor­beeld toelichten. In onze fokkerij fokten we met veertien voedsters die alle drie keer per jaar wierpen. We mogen derhalve rekenen op 280 jongen. Het is duidelijk dat bij zo'n groot aantal jongen de prijs van de ram een ondergeschikte rol speelt.

Wie zelf een jonge ram opfokt doet verstandig alle rammen op een leeftijd van drie maanden in aparte hokken te doen en pas als de dieren vier a vijf maanden zijn, uit de aanwezige rammen een keus te doen. Men plaatst de ram zo ver mogelijk van de hokken van de voedsters vandaan, zodat hij de voedsters zien noch ruiken kan. Anders ontwaakt de geslachtsdrift te vroeg en de nog niet uitgegroeide ram wordt erdoor in zijn ontwikkeling geremd. De ram moet goed en krachtig worden gevoerd, doch niet worden gemest. Zoals we reeds opmerkten, is het wenselijk de ram niet voor de leeftijd van acht maanden voor de fok te gebruiken. Een dier dat zelf nog niet volgroeid is kan geen volwaar­dige nakomelingen geven.  Er moet op worden gelet, dat de ram kerngezond is en dat zijn pels glad om het lichaam sluit, hij moet een goed vertegenwoordiger zijn van het ras waartoe hij behoort en geen ernstige fouten hebben. Heeft men een eigen fokkerij, dan is het gewenst eerst door een proefdekking te onderzoeken of hij zijn goede eigenschappen vererft. Heeft men een paar voedsters en laat men deze paren met de ram van een ander, dan zoekt men een ram van de vereiste kwaliteit, waarvan bewezen is dat hij goed vererft. Juist omdat de ram op zo'n grote nakomelingschap vererft, moet het dier zorgvuldig worden uit­gekozen. Heeft men een voedster en een ram die beide van goede kwaliteit zijn, dan wordt de zekerheid van goede jongen veel groter dan wanneer een van beide ernstige bouwfouten heeft. In ieder geval moet men erop letten dat ram en voedster niet dezelfde gebreken hebben, daar deze dan in sterkere mate bij de nakomelingen optreden. Een ram met grove fouten moet niet voor de fok worden gebruikt.

Gebruik van de fokram

Men moet ervoor zorgen dat een ram niet te veel wordt gebruikt. Meer dan drie a vier voedsters per week mag hij niet dekken. Gebruikt men hem intensiever dan is hij vóór zijn tijd verbruikt. Alleen bij uitzondering en na lange rust is intensiever gebruik geoorloofd. Fokt men uitsluitend voor de slacht dan is het aanbevelenswaardig elk jaar een andere ram te gebruiken of een andere aan te schaffen, daar dit de vruchtbaarheid in de hand werkt; daarbij zijn deze hybriden krachtiger dan wanneer men inteelt toepast. Dit herhaaldelijk wisselen van ram heeft echter wel na­delen van aankoop. Een prima goed verervende ram kan men bijna niet te lang aanhouden. Dieren van drie en vier jaar zijn uitnemend voor de fok geschikt. Er zijn gevallen bekend waarin rammen van tien jaar nog uitstekend voldeden. Men kan er niet te veel aan denken dat een ram door de paringsmogelijkheden met vele voedsters de voornaamste factor in de fok is en dat aan hem derhalve hoge eisen worden gesteld.

De voedster

Bij alle rassen onderscheidt zich de voedster van de ram door een meer gestrekt lichaam en een tengerder vorm van verschillende ledematen.

Een goede voedster moet echter een breed bekken hebben. Voorts moet men erop letten dat de voedster voor haar ras geen klein dier is, want ten opzichte van de grootte van het nakomelingschap is de voedster van grotere invloed dan de ram. Jonge dieren die van een kleinere ram en een grote voedster afstammen, worden als regel groter dan die welke van een kleine voedster en een grote ram komen. De oorzaak daarvan moet worden gezocht in de omstandigheid, dat het embryo en de jongen gedurende de zoogtijd van het grote lichaam van de moeder een betere voeding ontvangen. Met vererving heeft dit eigenlijk niets te maken, want de op deze wijze verkregen grootte gaat niet op verdere nakome­lingen over, het moet worden beschouwd als een modificatie. Dat neemt natuurlijk niet weg dat dit feit voor degene die grote konijnen wil fokken of reuzenrassen voor de tentoonstelling van groot belang is. Wie een stam heeft waarin hij grotere dieren wil fokken, moet steeds de grootste voedsters voor de fok gebruiken en wie daarentegen een reuzenras wil brengen op het gewicht van een middenras, raden we aan steeds met de kleinste voedsters te fokken. Meestal zal men echter met de moeilijkheid zitten om een stam waarvan het gewicht zich in dalende lijn beweegt, weer op hoger gewicht te brengen. Behalve toepassing van bovenstaande regel raden we aan de nesten te reduceren tot zes a zeven stuks en de jongen twaalf weken bij de moeder te laten.

Samenstelling van het fokpaar

Behalve door de konijnenfokker die voor tentoonstellingen fokt, wordt er aan de samenstelling van het fokpaar vaak te weinig aandacht ge­schonken. Toch is in de fokkerij het bijeenbrengen van bij elkaar passende Ibkparcn het belangrijkste werk.

De fokker die zo'n groot aantal voedsters houdt, dat een eigen fok-ram lonend is, dient bij de aanschaffing van een ram nauwkeurig na te gaan of die bij zijn voedsters past. Natuurlijk zal een ram nooit de ideale partner zijn voor alle voedsters, maar de fokker moet er toch op letten dat algemeen voorkomende fouten of zwakheden bij zijn voedsters, niet voorkomen bij zijn ram.

De fokdieren die men samenbrengt moeten natuurlijk beide goed ge­zond zijn en mogen geen lichamelijke gebreken hebben. Men moet daarom, alvorens de paring te doen plaats hebben, zijn dieren nauw-

keurig waarnemen. Op de noodzakelijkheid in het algemeen met vol­wassen, dieren te fokken hebben we al gewezen.

De fokdieren moeten rasdieren zijn met kenmerken van het ras waar­toe ze behoren. Fokdieren die in de praktijk goede fokdieren gebleken zijn die goede jongen voortbrengen en deze goed verzorgen en groot­brengen, moet men zo lang mogelijk voor de fok gebruiken, terwijl die, welke slechte of zwakke jongen geven of deze niet goed grootbrengen, zo spoedig mogelijk geslacht moeten worden. Men moet er vooral op letten dat de ouderdieren, als ze niet alle gewenste kenmerken dragen, elkaar in de raskenmerken aanvullen. Heeft bijvoorbeeld de voedster een fout in pels of kleur, vorm of tekening, dan zoekt men een ram die deze eigenschappen zo volmaakt mogelijk bezit.

Van veel belang is ook dat de ouderdieren bij het begin van de fok niet verharen. Het verharingsproces stelt aan het dier toch al hoge eisen en verzwakt in het bijzonder het lichaam van de voedster. Dat de jongen een slecht en borstelig vel zouden hebben door de verharing van de ouders is een fabeltje, verharing van een dier heeft niets met de erfelijk­heid te maken voor een slechte pels. Hebben de ouders een goede pels dan zullen de jongen deze ook hebben ondanks de verharing der ouders.

 

De paring

Wanneer men een voedster wil laten dekken, brengt men haar steeds in het hok van de ram en niet andersom. Doet men dit wel, dan wordt de ram door de reuk van het hok opgewonden; hij woelt onrustig in het stro en voer, verwondt zich gemakkelijk in de hem onbekende omgeving en wordt sterk afgeleid. Wil de paring lukken dan dient de voedster hitsig te zijn, dit kan men constateren door de schede iets open te druk­ken: deze moet dan paarsachtig rood zijn en iets opgezwollen. Alle pogingen tot zogenaamde hulp zijn nutteloos en leiden tot dierkwellerijen. Een hitsige voedster is onrustig, woelt in haar stro, bijt dit stuk terwijl ze met haar achterpoot slaat als de ram. Alvorens we de voedster bij de ram plaatsen controleren we haar geslachtsdeel op geslachtsziekte; korstjes op de schaamlippen duiden hierop, een behandeling door een dierenarts is dan gewenst. Wordt ze echter lange tijd aan een paring onttrokken dan kan steriliteit optreden. Steriliteit treedt ook wel op wanneer de voedster te vet is. Wanneer een voedster niet hitsig wordt plaatst men haar in de nabijheid van de ram of in het rammenhok en geeft haar iedere dag wat gekiemde haver en peterselie of selderie; dat is beter dan alle zogenaamde hulp waardoor het dier alleen wordt ge­kweld. Als zodanig moet ook beschouwd worden het enige dagen bij elkaar plaatsen van ram en voedster: een fokker met enig verstand van zaken doet dit niet. Een voedster die niet hitsig is kan eenvoudig niet tot het aannemen van de ram worden gebracht. Is ze wel hitsig, dan be­springt zij soms de ram; de dekking komt dan meestal spoedig tot stand en hij valt knorrend naast de voedster. Als regel is één keer dekken vol­doende daar de ram een ontelbaar aantal spermacellen in de schede drijft. Een tweede dekking als men dat nodig acht geeft men 4 uur later. Waarom 4 uur later, zult u zich afvragen? Na de ovulatie begint het sperma van de ram zijn weg door de eileider naar de baarmoeder. Dit sperma is nu 8 uur onderweg, terwijl de follikel (rijpe eitjes) er 4 uur langer over doen. Als we nu de voedster 4 uur later weer laten dekken komen sperma van de tweede dekking en eitjes gelijktijdig in de baar­moeder aan.

Niet iedere voedster wordt drachtig na een dekking. We kunnen dit zelf controleren door na 10 dagen de voedster af te tasten; aan de achter­zijde van de buikholte liggen dan in de vorm van een hoefijzer kleine balletjes naast elkaar ter grootte van een erwt. Voor we echter het bovenstaande kunnen constateren is veel training en ervaring nodig. Een andere methode is dan ook de voedster na 10 dagen wederom bij de ram plaatsen: bijt zij naar de ram wanneer deze haar wil bespringen of laat ze een klagend geluid horen dan kan men rustig aannemen dat ze drachtig is. Dit betekent dan echter niet dat er al na 30 dagen jongen zullen komen. De mogelijkheid bestaat nog dat de voedster schijndrachtig is, meestal maakt ze dan na 20 a 22 dagen een nest en plukt ze wol. Wanneer dit laatste plaats heeft brengt men de voedster niet direct terug bij de ram maar wacht men liever de volgende hitsigheid af. Ook bestaat er nog de mogelijkheid terwijl de voedster drachtig is dat de jonge konijnen nooit geboren worden. In de tijd van de 12de t/m de 24ste dag kunnen deze nog geheel oplossen in de baarmoeder zonder dat dit zichtbaar is. Zelf heb ik dit meermalen vastgesteld; vermoedelijk komt dit door een tekort aan bepaalde vitamines. In de wildbaan komt dit ook voor wanneer het wildbestand te talrijk wordt, zo houdt de natuur zichzelf in evenwicht.

Er zijn echter ook nog wei drachtige voedsters die zich toch voor de tweede maal laten dekken; dit laatste is mogelijk omdat een konijn over een dubbele baarmoederhoorn beschikt. Meestal komt er van zo'n dubbele drachtigheid niet veel terecht.

De voedster gedurende de dracht

Gedurende de periode van de dracht moet een voedster krachtig, maar niet overdreven gevoed worden. Het door haar opgenomen voedsel moet immers niet alleen dienen voor eigen onderhoud, doch ook voor de opbouw en ontwikkeling van de vrucht. Men moet er echter vooral op letten de voedster niet te mesten. De praktijk heeft geleerd dat de jongen van vette voedsters vaak zwak zijn en niet levenskrachtig; ook het werpen geeft meer moeilijkheden.

Gedurende de ontwikkeling van de embryo's heeft in het lichaam van het moederdier een grote fysiologische verandering plaats, waardoor het gedrag van de voedster vaak heel anders is dan voor de drachtigheid het geval was. Een dier dat daarvoor levendig was, wordt rustiger, een ander dat bijterig was en zijn verzorger op de handen probeerde te springen als hij daarbij in het hok kwam, wordt verdraagzamer, terwijl een derde dat voordien zacht en mak was, dan juist gaat bijten en krabben. Deze wijziging in het gedrag van het dier is de uiterlijke mani­festatie van een innerlijke revolutie. Overigens spreekt het vanzelf dat de voedster gedurende deze tijd zacht en zorgvuldig moet worden be­handeld.

In het bijzonder moet erop worden gelet, dat ze gedurende de dracht voldoende vocht opneemt. Een voedster die drinkt, geeft men dagelijks vers drinkwater. Honden en andere dieren die de rust verstoren moeten ver van het dier worden gehouden. De duur van de dracht kan men in het algemeen stellen op 30 dagen. Er zijn voedsters die 31 of zelfs 32 dagen dragen, maar meestal heeft het werpen 30 dagen na de paring plaats. Wanneer het zover is dat het dier over zes a acht dagen kan werpen, dan reinigt men zorgvuldig het hok en geeft het dier voldoende nest­materiaal. Als beste materiaal voor het nest beschouwen we droog en gesneden tarwestro; ook minderwaardig hooi of houtwol kan als nest­materiaal worden gebruikt.

Wie de drachtige voedster om een of andere reden uit haar hok moet verwijderen, moet voorzichtig met het dier omgaan zodat het geen pijn lijdt of inwendige organen beschadigd worden. Men pakt in zo'n geval het dier met de rechterhand krachtig in het rugvel op en steunt met de linkerhand de buik. Nooit moet men een konijn bij de oren optillen, wat nog maar al te vaak gebeurt: het is pijnlijk voor het dier. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen kan het gebeuren dat de voedster de jongen afzet of een te vroeg werpen plaats vindt. Een schrik, een val van het hok, het verkeerd optillen, of ongeschikt voer kunnen daarvan de oorzaak zijn. Wanneer het werpen te lang uitblijft, zodat met abnormaliteit reke­ning gehouden moet worden zoals vervetting van het moederdier of het afsterven van de jongen, dan mengt men in het weekvoer wat 'bloem van zwavel' (voor inwendig gebruik), waardoor de jongen worden afge­stoten. Helpt dit niet, dan waarschuwt men de dierenarts die met een spuitje uw dier meestal wel aan het werpen kan helpen. Lukt ook dit niet en u voelt dat de jongen verstenen in het moederlichaam dan is er maar een oplossing mogelijk en wel de voedster slachten. Daar dit dier verder waardeloos is voor de fok omdat zij nooit meer jongen opneemt.

Werpen

Als regel verloopt het werpen normaal. Wanneer de tijd is aangebroken, wordt de voedster, die de laatste week van de dracht rustig is en veel ligt, onrustig. Er zijn wel dieren die soms acht dagen bezig zijn het nest te bouwen, maar regel is dat niet. Meestal wordt pas enkele uren vóór het werpen het nest gemaakt. Wel is voordien vaak strooisel gebracht in de hoek die als nestplaats is uitgekozen. Daarvoor komt meestal de donkerste hoek in aanmerking. Zoals het wilde konijn zijn nest heeft in donkere aardgangen, zo zoekt zijn tamme soortgenoot de donkerste plek die hem ter beschikking staat. Het hok kunstmatig verduisteren is niet gewenst omdat het dan overal even donker is. Zelden gebeurt het dat het dier zijn nest in de mesthoek bouwt. Bij etagehokken moet men erop letten dat het nest in de ene etage niet onder de mesthoek van de andere komt. Zodra men waarneemt dat daar het meeste stro wordt gebracht, kan men het beste ingrijpen en het strooisel naar de tegen­overgestelde hoek brengen. Meestal is dat voldoende: blijft de voedster hardnekkig het nest bouwen onder de mesthoek van het bovenliggende hok dan laat men haar rustig betijen. Wanneer het werpen achter de rug is kan men het nest verplaatsen.

Begint de voedster het nest te bouwen, dan bijt ze het stro in korte stukjes, trekt zich haar uit het lichaam, werkt dat door elkaar en brengt het naar de nesthoek. Zijn later in dit zachte bed de jongen geworpen, dan dekt ze deze met de uit het lichaam getrokken wol toe. De meeste voedsters maken direct een goed nest, al leren ze het beter als ze het vaker doen. Het is hun instinct en een voedster die het slecht doet, niet alleen de eerste keer maar ook de daarop volgende, moet voor de verdere fok worden uitgesloten. Dit instinct is erfelijk. De jongen van een moeder die geen goede nestbouwster was, zijn het als regel ook niet. Ook om deze reden is het wenselijk een slechte nestbouwster niet meer voor de fok te gebruiken. Wel zijn er gevallen waarin de voedster de eerste keer er weinig van terecht brengt en de daarop volgende keer een prachtig nest bouwt.

Het haar waarmee het neststro is doorwerkt en waarmee de jongen worden afgedekt, trekt de voedster zich onder de buik weg om de tepels te ontbloten en zo de jongen het zuigen gemakkelijker te maken. Er zijn dieren die veel haar uit hun lichaam trekken, andere daarentegen slechts weinig, terwijl soms gevallen voorkomen waarin helemaal geen haar uitgetrokken wordt. In de beide laatste gevallen zouden de jongen ver­kleumen als de fokker niet helpt; hij trekt uit een gedroogd vel de nodige haren om de jongen toe te dekken. Gebruik daarvoor nooit haar uit een ander nest. De vreemde reuk van dat haar brengt de voedster ertoe haar kinderen te verloochenen en de jongen buiten het nest te gooien.

Zodra de voedster heeft geworpen, controleert men het nest. Vroeger heerste een zelfs nu nog voorkomend bijgeloof, dat men niet naar het nest mocht kijken voor de jongen negen dagen oud waren.

Een goede fokker controleert het nest direct. Dit controleren is niet moeilijk. Het is als regel voldoende de voedster uit het hok te halen of een vers blad groen te verstrekken om haar bezig te houden terwijl men het nest controleert en nagaat of er dode jongen bij zijn die verwijderd moeten worden. Ook kan het nest te groot zijn. Een nest dat meer jongen dan de voedster tepels heeft is te groot; de rest kan men het best verwijderen. Het is in dit verband aan te bevelen, als men met meer voedsters fokt, twee of drie voedsters tegelijk te laten dekken zodat ze ook ongeveer tegelijk werpen. Zijn er dan grote en kleine nesten, dan kan men jongen van de grote overbrengen naar de kleine nesten. Dit over­brengen kan zonder moeite geschieden. Men neemt de jongen uit het grote nest en geeft die met een in petroleum gedrenkte veer een streek over de kop. Hetzelfde doet men met de jongen uit het nest waar men ze bij legt. De petroleumlucht overheerst dan de nestlucht en de voedster neemt de vreemde jongen zonder meer aan. Het gebeurt wel dat de voed­ster de jongen niet goed in het nest brengt; de fokker moet door direct controleren ervoor zorgen dat onheil voorkomen wordt: hij zal zelfde jongen in het nest moeten doen. Meermalen komt het voor dat de moe­der na het werpen, soms zelfs tijdens het werpen, de jongen begint op te eten. Wanneer dat tijdens het werpen gebeurt, is er weinig aan te doen. Gebeurt het echter na het werpen, neem dan de moeder uit het hok, geef haar wat te drinken en plaats haar tijdelijk in een ander hok tot 's avonds; als de voedster dan voldoende melkdrang heeft laat ze ongetwijfeld haar jongen zogen, meestal is het leed dan geleden. Waaraan dit opeten van de jongen te wijten is, is niet duidelijk.

Sommigen beweren dat de moeder koorts heeft en in koortstoestand eigen jongen eet, anderen schrijven het toe aan dorstgevoel, derden brengen het in verband met bij het werpen geleden pijn, terwijl weer anderen menen dat het een natuurlijk instinct is omdat de moedermelk onvoldoende zou zijn om de jongen te zogen. Na het werpen kan men de dieren een handvol vers groen en een bakje water geven, maar beter is het een handvol goed hooi te verstrekken; dit prikkelt de darmwand en normaliseert daardoor de spijsvertering.

De zogende voedster en haar jongen

Direct na een normaal verloop van het werpen zoogt de voedster voor de eerste maal haar jongen. Dit eerste zogen van de jonge dieren is van grote betekenis voor hun ontwikkeling. De eerste melk, het /colostrum, dat direct na de geboorte door de voedster wordt afgescheiden, munt uit door zijn eiwitgehalte. Het werkt reinigend in de darmen van de jongen en zij, die van deze eerste melk niet hun deel krijgen, lijden daar gedurende een groot deel van de zoogtijd onder. De fokker kan hier echter niets aan doen. De voedsters werpen meestal 's nachts of 's mor­gens vroeg en ook al gebeurt het onder de ogen van de fokker, afdoende controleren of ieder jong van deze eerste melk zijn deel krijgt, kan hij toch niet.

Sommige fokkers die met twee of meer raszuivere voedsters van hoge waarde fokken, hebben een min in hun fokkerij om deze een deel van de jongen te geven, opdat geen grote nesten worden gevormd. Wanneer men dit doet is het echter gewenst eerst alle jongen van de moedermelk te laten genieten.

Men moet overigens met het houden van minnen voorzichtig zijn. De moedermelk van de echte moeder is de door de natuur gegeven voeding. Zij bevat niet alleen dezelfde voedingsstoffen die gedurende de dracht werden gegeven, maar zij is ook verbonden aan de lichaams­constitutie van iedere moeder. De jonge dieren hebben ook na de ge­boorte vooral behoefte aan melk van dezelfde samenstelling als de voe­dingsstoffen die de moeder het embryo toevoerde. Hiermee willen we het houden van een min niet onder alle omstandigheden veroordelen. Het kan b.v. gebeuren dat een waardevolle voedster sterft en pas geboren jongen onverzorgd achter laat. Men kan ze dan alleen redden door ze aan een min te geven. Vaker komt het voor, dat een worp van een waardevolle voedster te groot is om door de moeder te worden groot­gebracht. We hebben wel eens 15 tot 18 stuks in één worp gehad. In zo'n geval moet men de helft van de jongen verwijderen, of door ze te doden, of door ze bij een min te doen, of door de gelijktijdige geworpen nesten te reguleren. Wie een min gebruikt moet deze een dag eerder laten dekken dan de eigenlijke voedster opdat, als deze werpen, de min reeds geworpen heeft, zodat ze direct in functie kan treden na het eerste zogen. Elke voedster is geschikt voor min maar men gebruikt er het liefst een groot kruisingsdier voor, daar dit meer melk geeft dan een klein dier. Het kunstmatig zelf opfokken van verweesde jongen met melk en haver- of maïsvlokken is een wat ver doorgevoerde liefhebberij die meestal veel tijd vergt en weinig resultaat biedt.

Als norm voor het aantal jongen wordt door ons beschouwd: net zo­veel jongen als de moeder tepels heeft. Doorslaggevend op dit punt is de melkgift van de voedster die deels erfelijk bepaald is en deels afhangt van het voer dat wordt gegeven. Daarom geeft men een zogende voedster steeds goed en vers groen in ruime porties, terwijl gedurende de tijd dat de jongen nog niet eten, een kommetje vers water met wat oud brood uitnemend voedsel is om de melkrijkdom te bevorderen.

Wie jongen uit het nest moet verwijderen neemt niet steeds de kleinste maar kijkt naar het geslacht. Ten eerste is het lang niet zeker dat de jongen die bij de geboorte het kleinst zijn, zich later niet veel beter ont­wikkelen dan de grotere en ten tweede zijn van deze kleinere jongen vaak het grootste deel moederdieren. Daar tenslotte konijnen door de meeste mensen worden gehouden om de bout, willen we er met nadruk op wijzen, dat zes a acht jongen laten grootbrengen door de moeder doorgaans voordeliger is dan een groter nest. Laat men tien a twaalf jongen bij de moeder dan zijn er altijd een paar bij die verdrukt worden en achteraan komen, terwijl de andere minder snel groeien dan wanneer ze met zes a acht jongen worden gehouden. Dat het konijn altijd acht a negen tepels heeft, wijst er ook op dat dit het maximum aantal jongen is dat zij goed kan grootbrengen.

Lijdt een voedster aan melkarmoede, dan heeft de fokker geen ander middel om daarin verbetering te brengen dan veel en afwisselend voer en als drank vers water te geven. Wil een voedster haar jongen niet zogen, dan kan men haar daartoe dwingen ook al is het een tijdrovend werk. Men legt het moederdier dan op de rug en laat de jongen één voor één drinken. Het eist veel tijd en het resultaat valt niet mee.

Een pas geboren konijn is een hulpeloos diertje. Kaal en met gesloten ogen ligt het als het voldoende gevoed wordt stil op een hoopje onder de wol. Eerst als de tijd van voedering nadert, komt er beweging in het nest en als de voedster zich dan op het nest zet om haar kroost te zogen, probeert ieder zich een plaats aan moeders borst te veroveren. Na 10 dagen gaan de ogen open en kan het diertje kijken. Controleer terdege of beide ogen goed ontsloten zijn, zo niet, gebruik dan op een watje wat boorwater en wrijf daarmee van voor naar achter; de ogen gaan dan wel open. Wanneer ze bijna drie weken oud zijn en op konijnen gaan lijken, wagen ze zich buiten het nest. Komt men bij het hok, dan schieten ze bliksemsnel weer in het nest. Men doet er goed aan een zo regelmatig mogelijke controle uit te oefenen en er vooral op te letten of ook jongen die nog te klein zijn buiten het nest komen. Het wil nogal eens gebeuren dat, wanneer het moederdier de jongen heeft gezoogd, bij het verlaten van het nest door de moeder een of meer jongen buiten het nest raken; gebeurt dit als ze nog hulpeloos zijn en bemerkt de fokker het niet spoedig, dan verkleumen ze en gaan ze dood.

Als regel komen de diertjes, wanneer ze goed worden gevoed, niet buiten het nest voor ze 18 a 20 dagen oud zijn. Wanneer de moeder weinig melk geeft, worden de eerste pogingen tot lopen al eerder onder­nomen; men ziet de diertjes dan reeds met 13 a 15 dagen door het hok kruipen, wanneer ze zelf op zoek gaan naar voedsel.

Tegen dat de diertjes drie weken oud zijn, beginnen ook de eerste pogingen om te eten en in de vierde week leren ze aan alle maaltijden deelnemen.

Wegnemen van de jongen

We komen hier op een terrein waarop veel is en wordt gezondigd. Vroeger was het gewoonte dat de jongen, als ze vier weken oud waren, van de moeder werden genomen. Zo erg is het nu zelden meer, maar het komt nog zeer veel voor dat de jongen op een leeftijd van zes weken van de moeder worden genomen. En hoewel zes weken heel wat beter is dan vier, moet toch met klem worden gezegd dat jonge konijnen niet voor hun achtste week van de moeder moeten worden verwijderd en dat het beter is ze tot een leeftijd van tien weken van de moedermelk te laten genieten.

Een zogende voedster heeft in de regel twaalf weken na het werpen, vaak zelfs nog langer, melk voor haar jongen beschikbaar. Daaruit valt de conclusie te trekken dat de jongen tot deze leeftijd behoefte aan moedermelk hebben. Jonge dieren die met zes a zeven weken van de moeder worden genomen, groeien minder snel dan dieren die tien a twaalf weken moedermelk gehad hebben.

Men kan de zaken zo regelen dat een konijn vijf keer in de twee jaar werpen kan en dan de jongen tot tien a twaalf weken bij de moeder laten. Om dit te bereiken, zorgt men ervoor dat de eerste worp begin februari plaats vindt; de jongen van deze worp kunnen eind april of begin mei van de moeder worden genomen. De voedster geeft men dan een rustpauze tot half mei. Dan wordt ze weer bij de ram gebracht en een tweede worp komt dan midden juni. Dan laat men haar de tijd tot eind november, wanneer zij de verharing achter de rug kan hebben. De derde worp wordt dan een zogenaamde winterworp. Men mag daartoe slechts overgaan wanneer men fokt in binnenstallen en de beschikking heeft over goed groenvoer (boerenkool, mergkool e.d.). Die derde worp laat men beslist tot een leeftijd van twaalf weken bij de moeder, de jongen van deze winterworp worden dus pas eind februari van de moeder ge­nomen zodat men dat jaar nog slechts twee maal kan fokken.

Een aantal fokkers fokt jaar na jaar drie worpen, soms zelfs vier. Het kan niet anders of dit moet een nadelige uitwerking op de jongen hebben en hun weerstandsvermogen en groeikracht slecht beïnvloeden.

De jongen, laat van de moeder genomen, geven het beste materiaal voor de fok. De moedermelk laat zich door niets vervangen. Zij bevat, naast de nodige opbouwstoffen voor de ontwikkeling van het lichaam, ook de stoffen die het jonge dier immuun maken voor verschillende ziekten en die tevens zijn weerstandskracht tegen alle ziekten vergroten.

In de achtste tot de tiende week komt de eerste haarwisseling. Jongen die voordien van de moeder zijn genomen, hebben vaak de grootste moeite deze te overwinnen. De verharing stelt hoge eisen aan het lichaam en zwakke dieren zijn er vaak niet tegen opgewassen. Daarom gaat deze eerste verharing vaak gepaard met grote sterfte onder de jonge dieren.

Zijn ze echter in deze periode nog bij de moeder, dan doorstaan en overwinnen ze deze moeilijkheden veel gemakkelijker dan wanneer ze aan zichzelf zijn over gelaten. In het geval dat de jonge dieren niet meer bij de moeder zijn, hebben ze grote behoefte aan krachtige kost. Daar­voor komt het eerst in aanmerking een handvol haver per dag, terwijl daarnaast vers drinkwater goede diensten bewijst. Het is gewenst dat, wanneer men besloten heeft de jongen van de moeder te nemen, niet alle jongen tegelijk bij haar worden weggenomen. Het is veel beter iedere dag één of om de andere dag twee jongen weg te nemen. Het plotseling wegnemen van alle jongen kan gemakkelijk aanleiding geven tot uier- of tepelontsteking bij de voedster.

Opfokken van jonge dieren

Als de jongen eenmaal van de moeder zijn genomen, kunnen ze tot vier maanden bij elkaar gehouden worden, mits in een ruime stal. Per m2 houdt men niet meer dan drie a vier jonge dieren. Zijn de jongen 4 a 4J maand oud, dan moet scheiding van de geslachten plaats hebben.

De voedsters kan men tot ze geslachtsrijp zijn zo nodig bij elkaar laten, mits de stal voor de steeds groter wordende dieren ruim genoeg is. Men doet dit echter slechts als het om een of andere reden onvermijdelijk is. Het is voordeliger ieder konijn een eigen hok te geven. Ze groeien dan beter en bij eventuele ziekte is het besmettingsgevaar veel geringer.

De jonge rammen moeten als ze bijna 4 maanden zijn onvoorwaar­delijk ieder hun eigen hok hebben. Houdt men hen in een gemeenschappelijke stal, dan zijn vechtpartijen en bijterijen schering en inslag. Moet men door gebrek aan ruimte de rammen wel bij elkaar laten, dan is het wenselijk ze te laten castreren.

De jonge ram of rammen die men bestemd heeft voor de fok van het volgende jaar, moeten ieder in een apart hok, dat zo ver van de voedsters is verwijderd, dat ze hen niet kunnen zien en ruiken. Jonge dieren, on­verschillig of het voedsters of rammen zijn, hebben behoefte aan een ruim hok, waarin zij zich vrij kunnen bewegen en waar zij naar hartenlust in het rond kunnen springen zonder zich te verwonden. Indien het maar even mogelijk is, is het gewenst de jonge dieren die voor de fok bestemd zijn, vóór het hok een loopren te geven. Door de grotere bewegingsmogelijkheid wordt het beendergestel krachtiger terwijl ook de spieren zich beter ontwikkelen. Het rondspringen en dartelen bevordert de bloedsomloop en werkt gunstig op hart en longen, terwijl bovendien de spijsvertering beter functioneert, wat een voorwaarde is voor de ge­zondheid van het lichaam. Dat de hokken goed schoon moeten worden gehouden spreekt vanzelf. Dieren in smerige hokken opsluiten is gelijk aan dierenmishandeling. Is de tijd aangebroken dat de jonge dieren naar het geslacht moeten worden gescheiden, dan is het gewenst tegelijk de ram en voedster, die men voor de verdere fok wil gebruiken, uit te zoeken. Alle dieren die in lichamelijke ontwikkeling zijn achtergebleven of in ander opzicht ernstige fouten vertonen als zwakke ingewanden of traag in de verharing moeten absoluut van de fok worden uitgesloten en voor de slacht worden be­stemd. Een beginnend konijnenfokker doet verstandig hierbij de hulp te vragen van een ervaren fokker. Onontwikkelde dieren en die, welke een slechte pels hebben, zijn weliswaar gemakkelijk te herkennen, maar kleinere gebreken en de totale gezondheidstoestand van een dier laten zich minder gemakkelijk vaststellen.