"Catootjes konijntjes"

 

           

 

14

 

Bron:artikel van het NHD forum. Vermoedelijk afkomstig uit het tijdschrift Fokkersbelangen.Datum/jaargang ?

Konijnenhaar.

Fragment uit"Het konijnenhaar". Door Rinus Verhelst.

Met het begrip”pels”kan men niet de beharing alleen noemen :  Pels = huid en haar samen.

In meerdere rasbeschrijvingen van de Standaard wordt van een kortere of langer normaalhaar pels geschreven, zonder nadere aanduiding. Het begrip, korter of langer, is te omvattend en daarom niet bruikbaar voor een objectieve beoordeling van de lengte der beharing. Dit past beter bij een subjectieve uitdrukking, b.v wanneer bij raskonijnen gezegd wordt: de pels is kort en dicht, glanzend en zacht .Zachte en een dichte beharing gaan niet samen , omdat dit nu eenmaal niet mogelijk is.In vakbijdragen gebruiken enige auteurs het begrip”pels”niet meer alleen, maar zetten tussen haakjes “beharing”daar achter. Dat is goed en correct. Echter waarom niet bij positie 3 “pelsbeharing en” beharingsconditie”noemen? Daar de pelshuid in positie 1 beoordeeld wordt ook juist is.

De haarsoorten als hoofdthema.

Tot hier en niet verder met het begrip “onderwol” en dit vervangen door “onderhaar”.Waarom? Uit konijnenhaar ( normaal haar) wordt geen wol gesponnen, wel een zeer goede viltsoort, welke gebruikt voor het vervaardigen van hoeden. Niemand is hierbij op het idee gekomen om hier over “vilthaar”te spreken. Wol is een gesponnen draad uit haren van dieren of plantenvezels. ( boomwol). Het normaalhaar ( konijn) heeft geen wolharen hoogstens “wollige”onderharen, en dat is dus geheel wat anders. De vorengenoemde begrippen vereisen daardoor ook het exacte gebruik van het begrip dekhaar en grannenhaar. Het mag misschien zo zijn dat uit wetenschappelijk standpunt gezien het dekhaar een granhaar is. Het konijn heeft echter duidelijk 2 verschillende granhaar-soorten in vorm, lengte en kleurzones. De hier voorgeslagen benaming is de exacte beschrijving wegens dwingende noodzaak.

De haarsoorten van het normaalhaarkonijn.

Bij de beoordeling van de beharing zijn de pelsharen te beoordelen op o.a de verschillende haarlengten van de afzonderlijke haarzones, voornamelijk kop, oren en benen. Ook de borst wijkt in verhouding af t.o.v de romp .In de volgorde van de waardigheid van de haarsoorten van het dier vindt in tegenstelling tot de meeste auteurs en de Standaard een andere volgorde van de haarsoorten plaats .Een normaalharig konijn heeft 3 haarsoorten met uitzondering van de triangel, welke wordt gevormd door de nek, de achterste orenhelft en tussen de oren:

-Dekhaar

-Onderhaar

-Grannenhaar

Aanvullend op deze haarsoorten heeft elk konijn zijdelings van het lichaam leitharen ( stuurharen)  , die t.o.v het overige pelshaar duidelijk uitsteken. Bij de Zilvervos en Tankonijnen worden deze haren als rassenkenmerk gewaardeerd. Wie daar aan twijfelt, kijk maar naar pasgeboren dieren, 3 tot 8 dagen, op deze leeftijd zijn deze haren duidelijk zichtbaar. Deze haren bevinden zich van voren  zijdelings van het lichaam bij zowat de halve hoogte tot aan de staart zijn ze duidelijk te zien. Later verliezen zij dit contrast, echter niet bij de Zilvervos en de Tan. Hier schrijft de Standaard witgepunte , respectievelijk tankleurige haren, de zg. “spitsen”, voor. In werkelijkheid hebben  deze leitharen een korte zwarte punt.Ze hebben 4 kleurzones zoals het dekhaar en zijn voor de pelskwaliteiten ( pels als product) van geen betekenis . In zoverre blijven ze ongemerkt, evenals de tastharen aan de snuit en ogen , welke echter in een bloedzakje staan.

 

 

 

 

 

 

 

 

↑Onderhaar        Dekhaar ↑       ↑Grannenhaar  ↑Tasthaar        ↑ Hoe dichter het wolhaar, des te waardevoller is de pels.

 

De verhouding van het haar = 1:10:400  /  Dit betekent: 1 granhaar : 10 dekharen : 400 wolharen.

 

Dekhaar.

Het is belangrijk haar in de pels en over het gehele lichaam verdeeld., slechts in de nek en tussen de oren is het spaarzamer aanwezig. Het dekhaar is van de wortel tot de beginnende haarpunten gelijk van dikte en recht. De punt van het dekhaar is niet bij alle haren gelijk of even lang van kleur. Er zijn verschillende puntlengtes en variëren van  +/- 2 tot 5 mm. Het dekhaar heeft 4 kleurzones en bepaalt met de puntkleur en de wildkleurzone ( dr.Hochstrasser noemt dit de onderste kleur) heel wezenlijk qua kleur en de gezamenlijke indruk van een konijn op het gesloten dek. De lengte van het dekhaar, volgens de Standaard beschreven, is mede, is mede bepalend voor de kleur die het dier toont.

 

Onderhaar.

Het is licht gegolfd , heeft een korte 2 tot 3 mm, lange punt , is wezenlijk dunner (1:10)  en duidelijk korter ( 4:5mm) dan het dekhaar .Het aantal onderharen is naar verscheidene auteurs het 20-40 voudige van de dekharen .De lengteverhouding tussen onderhaar en dekhaar is met normale teeltkeuze niet beïnvloedbaar, wanneer geen mutatieve veranderingen van nut zijn .Een uitspraak als”Het grannenhaar ( stevig dekhaar)  steekt boven de onderwol uiten is over het gehele lichaam gelijk verdeeld en niet te lang, is slechts fout in benaming.Het dekhaar overdekt dat onderhaar immers zeer duidelijk, nl.met de puntkleurzone en de wildkleurzone.

Dit is de regel bij een gemiddelde haarlengte van 35 mm tenminste 7 a 8 mm.De dichtheid van de onderhaargroei is foktechnisch beïnvloedbaar onderhaar heeft de functie de warmte te regelen bij het levende dier. Aangezien de dekhaarmassa over het gehele jaar gelijk blijft, neemt bij het onderhaar de massa van winter tot zomerpels duidelijk af. Onderscheidt van dier tot dier is voorstelbaar en kunnen tot verbetering van de pelskwaliteit benut worden.

 

Grannenhaar

Het is van het aantal op een vlakeenheid het geringste aanwezige haar. De verhouding tot het dekhaar ligt zowat bij 1:20 a 1:40.Het is van het dekhaar duidelijk te onderscheiden. Het granhaar heeft 2 kleurzones en is van de wortel af ongeveer gelijk van dikte als het dekhaar. Vanaf de halve lengte wordt het haar aanmerkelijk dikker ( dubbel tot driekwart) en looptin een lange glanzende punt uit. Het ligt in een strijkrichting gebogen. Aantal, lengte en verdeling zijn door teeltkeuze te beïnvloeden. Zo kun je naar ras, echter ook binnen een kleursla, het grannenhaar dat dekhaar sterk overdekken.Hierdoor ontstaan verschillende schakeringen, van b.v bosjesgewijs of gelijkmatig over het dek verdeelde zwartdoorlopende haren. Het heeft een stutfunctie ( steun) en kan eigenlijk niet dik en stabiel genoeg gefokt worden, wanneer er niet natuurlijk wetmatige grenzen zouden zijn. Wanneer we bovenstaande goed in ons opnemen dan vraag je je eigenlijk af hoe het mogelijk is dat men op  een show kan lezen op de beoordelingskaart” Fraaie pels” en even later op diezelfde kaart “is nog niet klaar”?  Het begrip “fraaie pels”neemt men zo wel wat licht op.

 

Ik citeer nl. de Strandaard letterlijk:

“Normaalhaar, de hoofdwaarde van de normaalhaarpels ligt in de dichtheid van de onderwol ( onderhaar).De dichtheid van de onderwol ( onderhaar) is afhankelijk van de hoeveelheid haren op een bepaalde huidoppervlakte en van de meer of minder krachtige ontwikkeling van het haar.

Onderwol ( onderhaar).Van veel waarde bij de totaalbeoordeling van de pels is de dichtheid van de onderwol(onderhaar).Ieder normaal haarras moet een uitgesproken dichte onderwol( onderhaar) van krachtige hoedanigheid bezitten.

 

Bovenstaand citaat wordt op de keuring zeer slecht toegepast en ik spreek dan nog niet van het 2e deel van positie 3, nl. de pelsconditie.

Een fraaie pels moet aan onderstaande eisen voldoen:

- moet regelmatig van lengte zijn.

- moet naar vermogen goed aanliggen.

- verhouding gran, dek en onderhaar moet fraai zijn.

- elasticiteit van het gran- en dekhaar moet stevig zijn

- er moet glans aanwezig zijn.

- pels moet volledig doorgehaard zijn.

- bij inblazen mag de huid niet waarneembaar zijn.

Wanneer de pels aan alle bovenstaande eisen voldoet dan kan men van een fraaie pels spreken.