"Catootjes konijntjes"

 

           

 

10

 

Bron:http://www.demolenaar.nl/artikelen/show.asp?id=555

Vruchtbaarheid bij konijnen

Konijnen staan niet bepaald bekend om hun vruchtbaarheidsproblemen. Toch is er nog wel ruimte voor verbetering, legt P. Derikx van Trouw Nutrition uit tijdens de studiedag van de World Rabbit Science Association (WRSA) in Utrecht.

De helft van de totale uitval bij voedsters betreft jonge dieren (minder dan drie worpen). Ruim een derde van de uitval is te wijten aan vruchtbaarheidsproblemen (niet dragend, abortus, dystocia). Derikx ging in op de relatie tussen voeding en vruchtbaarheid bij konijnen.

Energiebalans

Met name bij jonge voedsters kan een negatieve energiebalans problemen opleveren. De opname aan verteerbare energie blijft in de eerste vier weken na de partus (in de lactatieperiode) achter bij de behoefte. Dit betekent dat de voedster haar lichaamsreserves aanspreekt om de melkgift op peil te kunnen houden. Vooral het vetgehalte in het lichaam van de voedster daalt sterk tijdens de lactatie, tot wel 40 procent van het vetpercentage bij de partus.

Een afname van het lichaamsgewicht tijdens de lactatie leidt tot minder jongen in de volgende worp, een lager drachtigheidspercentage en minder melkproductie en daardoor meer uitval bij de jongen.

Om deze problemen het hoofd te bieden is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de voedsters niet te vet zijn na de eerste worp (vette voedsters nemen minder voer op na werpen). De voeropname na werpen kan gestimuleerd worden door aandacht te schenken aan de smaak en de pelletkwaliteit van het voer, evenals aan het energiegehalte.

Ook pleit Derikx ervoor om konijnen niet jong voor de eerste keer te dekken. Te lichte konijnen komen eerder in de problemen. De worpgrootte is duidelijk kleiner bij lichte voedsters (minder dan 3500 gram bij inseminatie) dan bij zwaardere voedsters (meer dan 4000 gram bij inseminatie). Op 16 dagen leeftijd, en bij spenen op 30 dagen zijn de jongen van zwaardere voedsters ook zwaarder dan de jongen van lichtere voedsters. Bij de tweede worp zijn deze verschillen overigens niet meer significant.

 

Vet, zetmeel en veiligheid

Een verhoging van het energieniveau van het voer leidt tot verhoogde energieopname bij lacterende voedsters, verhoogde melkproductie en zwaardere jongen bij spenen.

Het optimale gehalte aan onverteerbare ruwvezel ligt tussen 12 en 14,5 procent. Bij lagere gehalten neemt de kans op sterfte snel toe. Bij ruwvezelgehalten boven 14,5 procent neemt het risico van spijsverteringsstoornissen toe als er een overmaat eiwit in het voer aanwezig is.

Het toepassen van sojaolie (OEk 8540kcal) in konijnenrantsoenen geeft ruimte in de samenstelling voor onverteerbare vezels en levert essentiŽle vetzuren. Wel is er bij hoge gehalten aan sojaolie een risico op verminderde pelletkwaliteit en ranzigheid.

Een laag-vezel-voer met veel fermenteerbare koolhydraten leidt tot meer E.coli en Clostridium in de blinde darm. Vezelrijke voeders hebben een gunstig effect op de samenstelling van de microflora. In het algemeen leidt een hoog zetmeelgehalte in het voer tot meer uitval bij gespeende jonge konijnen.

Derikx concludeert dat geconcentreerde voeders voordelen kunnen bieden, vooral wanneer de energie uit vet komt. De balans tussen productiviteit en veiligheid moet wel goed zijn.

 

Vitaminen en vruchtbaarheid

Verschillende vitaminen spelen een rol bij de vruchtbaarheid van konijnen. Een gebrek aan vitamine A kan leiden tot abortus, kleine worpen en jongen met waterhoofden. Te veel vitamine D3 geeft foetale sterfte. Vitamine E en selenium spelen een rol bij de synthese van prostaglandinen. Een gebrek aan vitamine E en selenium kan de oorzaak zijn van mastitis, metritis en agalactie en verminderde reproductieresultaten. Vitamine C is van belang bij de regeneratie van vitamine E.